Wenst u precies te weten wat in het Castilliaans uitdrukkingen betekenen zoals: “guarripanda“, “gandido“, “dondorondón“, “culichichi“, of “viceberzas“? Dan krijgt u het antwoord van Pancracio Celdrán in “El gran libro de los insultos” (“Het grote boek van de beledigingen”), een werk, dat ongeveer 10.000 scheldwoorden bevat en wat laat zien, dat, om te beledigen, er geen betere taal bestaat dan het Spaans.

(Archieffoto – 8 september 2006): De Hoogleraar in de Spaanse taal, Pancracio Celdrán, die nu promotie maakt voor zijn recente werk:”El gran libro de los insultos”

“De Spaanse taal karakteriseert zich door variëteit en diepgang van het beledigende lexicon en zijn geestigheid en levendigheid. De Castilliaanse belediging is direct, snel, stoutmoedig en, als een steek onder water,” zo bevestigt  Pancracio Celdarán in een interview, waarin hij zijn nieuwe boek met daarin “betitelingen voor elk soort miserabel, krenterig en schandelijk gedrag” aanprijst.

Met uitdrukkingen en krachttermen die bestemd zijn “voor ladrones  (dieven) en maridos aparentemente engañados (blijkbaar bedrogen echtgenoten), chulos destemplados (valse volkstypes), soberbios montaraces (nietsnutten, leeglopers, hoogmoedige ontoeschietelijke stuggelingen), granujas disculpables (vergeeflijke schurken en schooiers), of pobres hombres arrinconados (arme mensen die door het leven met de rug tegen de muur zijn gezet),” tot aan die, welke met seksualiteit, met honger of met de talrijke bewoners die afkomstig zijn uit het ‘koninkrijk’ van de tontos (dommen, stommen, dwazen, gekken, zotten, onnozelen), pícaros (schelmen), mentecatos (domoren, klunzen, idioten, gekken), bobos (oliedommen, onnozelen, simpelen, dwazen), truhanes (oplichters,schurken, bedriegers, potsenmakers) en necios de todo pelaje  (domoren, dwazen, zotten,  gekken en malloten van allerlei pluimage).”

In het land van de semantiek van de tontos (dommen, stommen, dwazen, gekken, zotten, onnozlen) verblijven: “Abundio y Pichote, Cardoso en el cojo Clavijo, Perico el de los Palotes, Panarra  en Pipí, el tonto de Coria, el del Bote en el de Capirote“. Ook ontbreekt de “arme” niet bij wie “se le ocurrió asar la manteca” (“de boter verbrandt”), of “el tonto bolonio”.

‘El gran libro de los insultos’ is een kritische, etymologische en historische schat aan Spaanse beledigingen. Het boek telt ruim 1.000 pagina’s en is het “ultieme” werk van Pancracio Celdrán Gomariz op dit gebied. Celdrán is de auteur van veel andere titels, zoals “El libro de los elogios”, “Inventario general de insultos”, “Diccionario de frases y dichos populares”, of “Hablar con corrección”.

De genoemde “inventarisatie” was het “zaad” van het werk, dat nu het licht ziet, maar dit is “veel serieuzer en heeft meer ambitie.” Het heeft ongeveer 1.000 trefwoorden en elke belediging geeft gedetailleerde informatie over zijn afkomst, de plaatsen waar deze gebezigd wordt en de veranderingen die deze heeft ondergaan.

Bij raadpleging van het boek, dat gepubliceerd is door La Esfera de Los Libros, kan men te weten komen, dat het welluidende “dondorondón” gebezigd wordt in Murcia, om een “personaje irreal fastuoso y a la vez ridículo (onredelijk, vervelend en soms belachelijk personage)” aan te duiden. En, dat “guarripanda” het synoniem is voor een “persona puerca” (“viespeuk, varken, zwijn, smeerkees, smeerlap, rotzak) in de provincie Badajoz.

“Er zijn compleet onbekende beledigingen”, zoals “gandido“, dat betekent “muerto de hambre” (sterven van de honger), desgraciado (ongelukkige, onfortuinlijke, ellendeling), hambriento y menesteroso (behoeftige en armlastige) que no tiene dónde caerse muerto (die zelfs geen plaats heeft om dood te vallen).”

Op de Canarische Eilanden zegt men “culichichi tegen de chismoso (roddelaar, kwaadsperker, lasteraar, nieuwsgierige pottenkijker, bemoeial), of tegen diegene die carece de importancia social (een sociaal belangrijke positie bekleed). In Madrid zegt men “culuchiche” tegen de cursi  (overdereven aansteller, kapsoneslijder, trut) en ook had het de toegevoegde betekenis van adulón  (slijmerd) en lameculos (gatlikker, kontkruiper, kruiper)”.

iceberzas” gebruikte men in de negentiende eeuw om een secretaris van een tonto aan te duiden, of voor iemand, die is dienst was van iemand die nog gekker was dan hij. Deze term is een speling van het bijvoeglijke naamwoord viseversa en is wat Celdrán, “een laboratorium-belediging” noemt.
 
Rodolfo Chikilicuatre heeft dan wel niet het Eurovisiesongfestival 2008 gewonnen, maar hij heeft wel twee dingen bereikt: dat de hele wereld de chiki-chiki danst en, dat de Valenciaanse uitdrukking “chiquilicuatre” in de mode is geraakt. Een belediging die gebruikelijk was in de 18de eeuw en “zascandil (onbenul), don nadie (Jan met de pet), pelanas (armoedzaaier, schlemiel)” betekent.

“Men zegt “chiquilicuatre” ook tegen iemand die muy poquita cosa (van eenvoudige komaf), menguado (gering, ogelukkig, laf, benauwd, benepen, simpel, dom, gierig), of raquítico (zwak, gammel, ziekelijk, karig, schriel, armetierig) is”. Chiquilicuatro, chipilicuatre en chiquilicuá zijn andere varianten.

De meerderheid van de beledigende woorden die men in Spanje gebruikt, vinden hun “oorsprong” in Amerika. “El gran libro de los insultos” bevat enkele voorbeelden: o.a. “cusca” (flirt,kokette vrouw, hoer, lichtekooi), “cojudo” (zo stom als het achtereind van een varken, oerstom,  “gringo” (yankee, Amerikaan, ‘blonde’ buitenlander, blond persoon, onbegrijpelijke taal Chinees), “guaje” (dwaas, idioot), “guanajo” (stommeling, idioot), maar dit zonder compleet te willen zijn; “alleen al voor Mexico zou men een ander, soortgelijk, scheldwoordenboek nodig hebben.”

“Mexico en Argentinië zijn het ‘meest inventief’ als het op  beledigen aankomt,” bevestigt Celdrán, die in zijn uitgebreide voorwoord een verbod opneemt voor het gebruik van scheldwoorden, dat wijd verbreid is onder de werknemers van een multinacional in Argentinië: “Men gebruikt geen woorden of uitdrukkingen zoals ‘carajo; la puta madre; me da por el quinto forro’.  Men tolereert geen typeringen zoals: ‘hijo de mil putas; guanaco; mal parido; es una mierda; es una bosta’. Gebrek aan vastberadenheid wordt niet omschreven als falta de huevos; cagón de mierda; pelotudo; boludo‘”… enz. Het mag duidelijk zijn, dat men in dit bedrijf de taal koestert.

De beperkte woordenschat die een groot aantal hispanohablantes (Spaanssprekenden) treft, blijft ook aanwezig bij het beledigen. In Spanje verbastert men uitdrukkingen zoals “gillipollas” en “hijo (de) puta”.

Om niet in de “eenzijdige belediging te vervallen”, stelt de humorist Forges in de inleiding van het boek voor om  jargon te gebruiken en met zijn gebruikelijke inventiviteit stelt hij oneigenlijke woorden voor, zoals: “putiliendre“, “jilimuermo“, “tertuliano“, “poliputo“, “concejal de urbanismo“, “banquero“, “cabronoide“, “gorronáceo” en “‘pota’voz parlamentario“.

Deel deze informatie:
  • Digg
  • Sphinn
  • del.icio.us
  • Facebook
  • Mixx
  • Google
  • E-mail this story to a friend!
  • Live
  • NuJIJ

Zoeken in andere artikelen met verwante onderwerpen:
, , , .

Leave a Reply


269 keer gelezen, 2 keer vandaag

Download de laatste versies van de Hollandse Nieuwe:


--== dit artikel is uitgeprint vanaf www.hollandsenieuwe.com ==--
Grafische versie