“Oost west, thuis best.” “Eigen haard is goud waard.” “Zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens.” Spreekwoorden geven vaak een vertrouwd, ‘vaderlandsch’ gevoel.  Maar elk land kent uiteraard spreekwoorden en gezegden. De overeenkomsten en verschillen bieden een verrassend inkijkje in cultuur en geschiedenis.  

Bijbel
A near neighbour is better than a far-dwelling kinsman, zeggen de Engelsen. Ein guter Nachbar an der Hand ist besser als ein Freund über Land, beamen de Duitsers en ook de Fransen weten: mieux vaut prochain ami que long parent. Kortom: “Een goede buur is beter dan een verre vriend.” Dat deze spreekwoorden zo eensgezind zijn, komt doordat ze allemaal uit dezelfde bron komen: de Bijbel. In Spreuken 27:10 staat te lezen: ‘Beter een buur dichtbij dan een broeder veraf.’

En niet alleen de Bijbel heeft ervoor gezorgd, dat men spreekwoorden deelt met andere westerse talen, ook andere klassieke teksten hebben daartoe geïnspireerd, zoals de fabels van Aesopus. In een daarvan verkoopt een man zijn jas, omdat hij de eerste zwaluw gezien heeft en denkt, dat het lente wordt. Het wordt echter koud, de zwaluw vriest dood en de man die zijn jas verkocht ook bijna. Hij heeft zijn lesje geleerd: una hirundo non efficit ver:  één zwaluw maakt nog geen zomer, zeggen Nederlanders en met hen o.a. de sprekers van het Spaans (una golondrina no hace verano ofwel: un dedo no hace mano, ni una golondrina verano), Engels (one swallow does not make a summer), Frans (une hirondelle ne fait pas le printemps). Maar in het Duits kondigt de leeuwerik de zomer aan: eine Lerche, die singt, noch keinen Sommer bringt.

De baviaan achter de heuvel
Zoals het voorbeeld van de Duitse leeuwerik al laat zien, bestaan er tussen verwante spreekwoorden wel verschillen. Die zijn vaak goed verklaarbaar door de omstandigheden in het land waar het spreekwoord gebruikt wordt. Neem nu wie voor een dubbeltje geboren is, wordt nooit een kwartje. De munteenheid verschilt per taal. In het Spaans: el que nace ochavo (een oude, kleine munt), no pude llegar a cuarto (een Spaans kwartje). Of in het Duits: wer zum Pfennig geboren wurde, der kommt nicht zum Gulden (of: Taler) .

Ook de lokale fauna heeft invloed. Je moet geen slapende honden wakker maken zeggen Nederlanders als ze ergens de aandacht niet op willen vestigen. In het Engels laat men de slapende honden eveneens graag met rust (let sleeping dogs lie). In het Frans en Duits wekt men daarnaast liever de kat niet (il ne faut pas réveiller le chat qui dort en man muss die Katze nicht aufwecken, wenn sie schläft). Maar in Zuid-Afrika schuilen andere gevaren: moenie die bobbejaan agter die bult gaan haal nie (‘je moet de baviaan niet achter de heuvel vandaan halen’).

Bovenstaande voorbeelden zijn gepubliceerd in de online-krant voor expats van de Radio Werelomroep Nederland.

Test hier uw kennis van de Nederlandse spreekwoorden en gezegden. (Voor een vergroting klikt u op de afbeelding)

SPREEKWOORDEN EN GEZEGDEN
Spreekwoorden
Onder een spreekwoord verstaat men een ‘vaste’ zin of een groep woorden die bij elkaar horen, die in het gebruik niet veranderen. Meestal staan ze in de tegenwoordige tijd. Een voorbeeld hiervan: ‘Zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens’.

Net zoals dit spreekwoord blijven alle spreekwoorden onveranderd in het mondelinge of schriftelijke taalgebuik,  anders zijn het geen goede spreekwoorden meer.

Spreekwoorden en gezegden worden gebruikt om iets wat men wil zeggen te versterken of te verzachten, maar ook als men iemand iets duidelijk wil maken via een omweg. Als er bijvoorbeeld iemand bij u thuis komt eten, maar hij zegt,  dat hij niet zo’n trek heeft, terwijl u denkt, dat hij het gerecht gewoon niet durft te proeven, dan kun je zeggen: “Wat een boer niet kent, dat (vr)eet hij niet.”

Gezegden
Een gezegde is een groepje woorden, dat bij elkaar hoort of het bestaat uit losse woorden, die wel van tijd (tegenwoordige, verleden of toekomde tijd) kunnen veranderen. Een voorbeeld hiervan:  “Het komt voor de bakker.” of, “Het is voor de bakker”. Het komt voor de bakker betekent: Het komt wel goed. Het is voor de bakker betekent: Het is al goed gekomen. Dus met één woord verschil in het gezegde  is de betekenis weer iets anders

Voor de geïnteresseerde lezer geeft de Hollandse Nieuwe hieronder een hele reeks van Nederlandse spreekwoorden met hun Spaanse equivalenten:

Wie a zegt moet ook b zeggen.
Quién dice a, debe decir b.
Sacado el vino, hay que gastarlo

Aalmoezen geven verarmt niet.
El dar limosna nunca mengua la bolsa.

De aanhouder wint.
Alcanza, quien no cansa.
Pobre porfiado saca mendrugo.

Al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding.
Aunque la mona se vista de seda, mona se queda.

Aard wil van aard niet.
Genio y figura  hasta la sepultura.

Korte afrekening maakt lange vriendschap.
Cuenta y razón conservan amistad.

Wie een ambacht heeft geleerd, krijgt de kost waar hij verkeert.
Quien tiene oficio tiene beneficio.
Quien oficio sabe ejercer, no se quedará sin comer.

Beter een anker kwijt, dan het gehele schip.
Má vale perder la silla que el caballo.
Mejor es que el vellón se pierda que no la oveja.

De appel valt niet ver van de boom.
De tal palo, tal astilla.
El hijo del gato mata al rato.

Eén rotte appel in de mand, maakt al het gave fruit te schand.
La manzana podrida pierde a su compañía.
Oveja infestada, infesta a la manada.

Na gedane arbeid is het goed rusten.
No hay mayor placer que descansa depués de hacer.
Duerme, Juan, y yace, que tu asno pace.

Armoede is geen schande.
Pobreza no es vileza.

Als de armoede binnenkomt, vliegt de liefde het venster uit.
Donde no hay harina, todo es mohína.
Sin pan y vino, no hay amor fino.

Armoede zoekt list.
Hombre pobre, todo es trazas.

Er is altijd baas boven baas.
Mucho sabe la zorra, pero más quien la toma.
Por mucho que un hombre se afane, hay quien le gane.

Beter kleine baas dan grote knecht.
Más vale ser cabeza de ratón que cola de león.

Wie kaatst, moet de bal verwachten.
Donde las dan, las toman.
Quien hace la burla, guárdese de la escapulla.

Men moet zijn bed maken zoals men slapen wil.
Como haces tu cama, así la encuentras.

Het bedrog loont zijn meester.
Quien a su prójimo  engaña, sí mismo daña.

Op één been kun je niet lopen.
Con una rueda no anda una carreta.
Con un solo pie no se anda bien.

Oude beren dansen leren, is zwepen verknoeien.
Caballo iejo no aprende trote nuevo.
Pájaro viejo no entra en jaula.

Een goed begin is het halve werk.
Obra empezada, medio acabada.
Bien empezado, casi acabado.

Alle begin is moeilijk.
El salir de la posada es la mayor jornada.
Echara a andar es lo más dificil del caminar.

Beleefdheid kost geen geld.
Cortesía de boca, gana mucho a poco costa.

Belofte maakt schuld.
El que fía o promete, en deuda se mete.
Cuando promete el hombre honrado, queda obligado.
Lo prometido es deuda.

Als de berg niet tot Mohammed wil gaan, dan moet Mohammed naar de berg gaan.
Si no va el otero a Mahoma, vaya Mahoma al otero.

Berouw komt altijd na de zonde.
Del atrevido nace el arrepentido.
Tarde se arrepiente el rato, cuando le tiene en la boca el gato.

Nieuwe bezems vegen schoon.
Cedacito nuevo, tres días en estaca
Lo novel, todo bel
.

Bezint eer ge begint.
Antes que te cases, mira lo que haces.

Wie zijn billen brandt, moet op de blaren zitten.
Quien hizo el cohombro, que lo lleve al hombro.
Quien mal cama hace, en ella se yace.

Men kan niet tegelijk blazen en slikken.
Soplar y sorber no puede junto ser.

Als de blinde de blind leidt, dan vallen ze beiden in de gracht.
Cuando guían los ciegos, guay de los que van ellos.
Con mal va la compañía si lleva a un ciego por guía.

Het bloed kruipt waar het niet gaan kan.
La buena sangre nunca miente.
La sangre tira
.

Wat de boer niet kent, dat vreet hij niet.
Plm.: A quien plato desconocido viene, más susto que gusto tiene.

Een oude bok lust nog wel een groen blaadje.
Al gato viejo, rata tierna.
El viejo pierde el diente, pero no la simiente.

De boog kan niet altijd gespannen zijn.
Arco siempre armado, o flojo o quebrado.

Een boom valt niet met de eerste slag.
Un solo golpe no derriba un roble.

Men moet de boom buigen als hij jong is.
Dese pequeñito se endereza al arbollito.
Al arbolito, desde chiquito.

Oude bomen verplant men niet.
Árbol viejo y replantado, antes seco que ajuarado.

Wie tegen een goede boom leunt, heeft goede schaduw.
El que a buen árbol se arrima, buena sombra le cobija.

Hoge bomen vangen veel wind.
En lo más alto cae el rayo.
Los más altos montes son combatidos con vientos mayores
.

Boontje komt om zijn loontje.
Temprano o tardío, siempre llega a castigo.
Quien  mal intenta, pagará la cuenta.

Borgen baart zorgen.
Puerco fiado gruñe todo el año.
Cichino fiado, buen invierno a mal verano.

Wie boter op zijn hoofd heeft, moet niet in de zon lopen.
La que tiene la cabeza de cera, no se meta a hornera.

De beste breister laat wel eens een steek vallen.
El mejor escribano echa un borrón.
Al mejor cazador se le va una liebre.
El más maestro comete un yerro.

Waar broeken spreken, moeten rokken zwijgen.
Plm.: Donde hay barbas, callen faldas.
Donde hay gallo, no canta la gallina.

Waar broeken zijn, betalen geen doeken.
Donde hay barbas, no pagan tocas.

Het is broertje en zusje.
Olivo y aceituno, todo es uno.
Lo mismo es callo que ojo de gallo.

Wiens brood men eet, diens woord men spreekt.
Aquel loar debemos cuyo pan comemos.
A quien te hace beneficio, está siempre propicio.

Overal wordt brood gebakken.
En todas partes cuecen habas.

Men moet geen hei roepen voor men over de brug is.
Hasta el fin de la historia, nadie cante victoria.
No cantes gloria, hasta el fin de al victoria.

Van bruiloft komt bruiloft.
Boda saca boda.

De brutalen hebben de halve wereld.
El que no tiene vergüenza, toda la Calle es suya.
El avergonzado todo lo tiene por conquistado.

Beter een goede buur dan een verre vriend.
Más vale buen vecino que pariente ni primo.
Más vale el vecino cercano que el pariente lejano.

Al te goed is buurman’s gek.
La oveja mansa, cada cordero la mama.
Haceos miel, y paparos han moscas.

Men moet de dag niet vóór de avond prijzen.
A la fin de loa la vida, y a la tarde loa el día.
Antes que acabes, no te alabes.

Elke dag een draadje, is een hemdsmouw in ‘t jaar.
Poco a poco hila la vieja el copo.
Poco a poquillo hace el pájaro su nidillo.

Hoe later op de dag, hoe schoner het volk.
Plm.: Más bien tarde que antes se presentan los importantes.

Het is niet alle dagen kermis.
Agosto y vendimia no es cada día.
Nos es cada día Pascua ni Santa María.

Die slapen onder één deken, hebben dezelfde streken.
Dos que duermen sobre un colchón se vuelven de la misma opinión.

Elk is een dief in zijn nering.
Cada uno quiere llevar el agua a su molino y dejar en seco el del vecino.
Cada uno arrima el ascua a su sardina.
Cada santero pide para el Santo de su ermita.

Wie eens steelt, is altijd een dief.
El que roba una vez, ladrón es.

De ene dienst is de andere waard.
Hoy por ti, mañana por mi.
Hazme la baba, hacerte he el copete.

Alle dingen hebben twee handvatten.
Cada medalla tiene dos caras.
Cada cosa que ves tiene su haz y su envés.

Wie de dochter trouwen wil, moet de moeder vrijen.
Compadre, si quieres la hija, corteja a la madre.
Galantear por tablilla, visitar al padre y quiñar a la hija.

Het doel heiligt de middelen.
El fín justifica los medios.

Al doende leert men.
El uso hace maestro.
Haciendo y deshaciendo, se va aprendiendo.

Wie goed doet, goed ontmoet.
Quien bien sembra, bien coge.
A quien bien hace, otro bien le nace.
Hacer bien, nunca se pierde.

Doe wel en zie niet om!
Haz bien y no mires a quién.
De een zijn dood, is de nader zijn Broad.
Lo que a unos mata, a otros sana.
Lo que uno pierde, otro lo gana.

Tegen de dood is geen kruid gewassen.
Al mal mortal no hay hierba que val.
En mal de la muerte no hay médico que acierte.
Contra la muerte nadie es fuerte.

Wie de draad maar heeft, vindt ook het kluwen.
Por el hilo se saca el ovillo.

Een drenkeling klemt zich aan een styrohalm vast.
El ahogado se arraga en un clavo ardiendo.

Dromen zijn bedrog.
Y los sueños, sueños son.
De los sueños, ni creas malos ni buenos.

De gestadige drup holt de steen uit.
La gotera cava la piedra.
El agua es blanda y la piedra es dura, pero gota a gota hace cavadura.

Wie voor een dubbeltje geboren is, wordt nooit een kwartje,
El que nace para ochavo, no puede llegar a cuarto.
(Zie de inleiding hierboven.)

De duivel schijt altijd op de grootste hoop.
A quien mucho tiene, más le viene.
Dinero cae sobre dinero, en un mismo caldero.
Siempre van las monedas donde hay más compañeras
.

Als je van de duivel spreekt, trap je hem op zijn staart.
Enombrando al ruin de Roma, luego asoma.

De duivel is zo zwart niet als men hem schildert.
No es tan feo el diablo como lo pintan.
No es tan feo el león como lo pintan.

Eendracht maakt macht.
La unión hace fuerza.

Eerlijk duurt het langst.
La verdad adelgaza, pero no quiebra.
Beter een half ei,d an een lege dop.
Más vale pan y ensalada que no comer nada.

Het ei wil wijzer zijn dan de hen.
Aún no ha salido del cascarón, y ya tiene presunción.

Men moet niet al zijn eieren onder één kip leggen
No hay que poner toda la carne en el asador.
Paja, en dos pajares: si el uno se quema, el otro salvo queda.

Eind goed, al goed.
Aquello es bueno que bien acaba.

Aan alles komt een einde.
No hay mal ni bien que dure años cien.
Todo tiene fin en este mundo ruin.

Heden geëerd, morgen verneerd.
Hoy caballero y mañana vaquero.

Die het kleine niet eert, is het grote niet weerd.
Quien no alza un alfiler, no tiene en nada a su mujer.
Quien lo poco desprecio, al lo mucho no llegó.
Quién no ahorra el real, no juntará el caudal
.

Hoe grover de ezel, hoe groter het geluk.
A los bobos se les aparece la Madre de Dios.
Poco sea basta a quien fortuna no es madrasta.

Een ezel geeft een dode leeuw een schop.
Cuando el león muere, se le mean encima las liebres.
A moro muerto, gran lanzada.

Wie als ezel geboren is, sterft niet als paard.
Quien nace para burro, muerre rebuznando
El que tonto va la guerra, tono vuelve de ella.

Een ezel stoot zich in het gemeen geen twee maal aan dezelfde steen.
El escarmentado busca el vado.
Quien en una piedra dos veces tropieza, merece que se quiebra la cabeza
.

Van de fijnen en van de motregen wordt men ‘t meest bedrogen.
Cuando el diablo reza, engañarte quiere.
La cruz en los pechos, y el diablo en los hechos.
Cara de beato, y uñas de gato.

Wie geboren is voor de galg, verdrinkt niet.
Quien ha de morir ahorcado, en balde es que tema  al vado.
La oveja que ha de ver del lobo, por demás es poner cobro.
Contra fortuna no vale arte ninguna.

Gasten en vis blijven maar drie dagen fris.
Los héspedes dos alegrías dan: cuando lelgan y cando se van.
± El huésped y el pez, a lo mas días tres.

Beter hard geblazen dan de mond gebrand.
La prudencia en el que la tiene, muchos daños y males previene.

Bij gebrek aan brood eet men korstjes van pasteien.
A falta de pan, buenas son tortas.
Cuando no tengo solomo, de todo como.

Gedachten zijn tolvrij.
El pensamiento ni tiene barrera.

De gekken krijgen de kaart.
La fortuna es madrina de los necios.

Elke gek heeft zijn gebrek.
En el mundo entero no hay quien no tenga un pero.
Sin un ramito de locura no hay humana criatura.

Tot zover de eerste 100 spreekwoorden uit een serie van 434. Die overige 334 zullen we binnenkort hier publiceren.

  • Digg
  • Hyves
  • MySpace
  • StumbleUpon
  • Windows Live Favorites
  • Yahoo Bookmarks
  • LinkedIn
  • Hotmail
  • FriendFeed
  • Delicious
  • Facebook
  • Google Bookmarks
  • Reddit
  • Slashdot
  • Technorati Favorites
  • Twitter
  • Yahoo Mail
  • Share/Bookmark

Zoeken in andere artikelen met verwante onderwerpen:
, , , , .

2 Comments »

2 Responses to “Zoals het klokje thuis tikt, tikt het bijna overal (Deel 1)”

Comments

  1. Tom Gorlee Jul 10 2009 / 10am

    Heel leuk en leerzaam!!
    Graag meer

Blog posts on this article

  1. Zoals het Klokje thuis tikt, tikt het bijna overal (deel 2) at Gran Canaria: Hollandse Nieuwe. Artikelen en nieuws over Gran Canaria en de Canarische Eilanden Jul 16 2009 / 7pm

Leave a Reply



--== dit artikel is uitgeprint vanaf www.hollandsenieuwe.com ==--
Grafische versie