Onderstaande brief schreef Rita Verdonk in 2006, zij is de Nederlandse minister voor Vreemdelingenbeleid en Integratie. Maar deze brief had ook geschreven kunnen zijn door de Spaanse Minister voor Vreemdelingenbeleid en Integratie, zoals u kunt zien:
![]() |
|
Rita Verdonk, de Nederlandse minister voor Vreemdelingenbeleid en Integratie.
|
‘De burgerschapscode moet nieuwe Spanjaarden stimuleren om zich niet als vreemdeling, maar als Spanjaard te gedragen. Met xenofobie heeft dit niets te maken. Spanje heeft een burgerschapscode opgesteld. Daarin staat: “Wij Spanjaarden gebruiken Spaans als onze gemeenschappelijke taal.
‘In het openbaar spreken we Spaans, op school, op het werk, op straat en in het buurthuis”; en in de toelichting:
![]() |
Ik heb gezegd dat dit mij aanspreekt, sterker nog: dat ik er vóór ben om zoiets voor alle Spanjaarden af te spreken. Dit heeft een storm aan reacties ontketend. Daarom wil ik graag uitleggen wat ik bedoel.
Allereerst: een burgerschapscode is geen wet maar een afspraak. Hierin staat wat behoorlijk gedrag is; hoe we prettig kunnen samenleven. Geen verplichting dus en mensen die zich niet aan de code houden worden niet gestraft. Maar je geeft met zo’n code wel duidelijk aan wat je van mensen verwacht, in de hoop dat ze ernaar gaan leven.
Waarom wil ik dat we in het openbare leven Spaans spreken?
Er wonen miljoenen migranten in Spanje, die onze taal niet of nauwelijks machtig zijn. Veel van hen wonen geconcentreerd in buurten of toeristensteden waardoor er nauwelijks noodzaak bestaat om Spaans te spreken. Met hun kinderen spreken ze in de eigen taal. En die kinderen spreken onder elkaar ook weer in de eigen taal of in een mengtaal die voor andere Spanjaarden niet te volgen is. Als ze aan de lagere school beginnen hebben ze een (Spaanse) taalachterstand van minstens twee jaar.
Dit heeft gevolgen voor deze groep mensen, en voor de samenleving als geheel. Door de slechte beheersing van het Spaans raken migranten en hun kinderen in een isolement. Autochtone werkgevers willen ze niet in dienst nemen, dus trekken ze zich terug in hun eigen wereld. Zo ontstaan er scheidslijnen tussen etnische groepen, grof gezegd: allochtonen in de achterstandswijken van de grote steden, autochtonen in de voorsteden en de toeristensteden. Ieder spreekt zijn eigen taal en leeft in zijn eigen wereld. Dat is slecht voor de integratie.
Als mensen hun eigen, voor anderen onbegrijpelijke taal in het openbaar gebruiken, kunnen anderen zich buitengesloten voelen en dat kan leiden tot ergernis. Dat is geen xenofobie, het is een natuurlijke reactie. Maar die ergernis draagt ook al niet bij aan integratie en versterkt het gevoel van verwijdering.
Ik wil allochtonen uit hun isolement halen. En zorgen dat ze echt mee kunnen doen in deze samenleving, op school, op het werk en op straat, zodat er echte integratie plaatsvindt. Ik denk dat het daarbij helpt als we duidelijk uitdragen wat ons verbindt, als we mensen ervan bewust maken dat we allemaal deel zijn van een gemeenschap en dat ons gedrag anderen kan beïnvloeden. Dat we daarin allemaal een verantwoordelijkheid hebben.
De voertaal in dit land is Spaans. Veel scholen hebben als regel dat de leerlingen Spaans spreken, ook onder elkaar. In het schoolgebouw, op het schoolplein. Dat vinden we heel normaal, sterker, de meeste mensen vinden dat erg verstandig.
Ik stel voor om die regel over het hek van het schoolplein te tillen, naar de openbare ruimte. Met een burgerschapscode wil ik nieuwe Spanjaarden stimuleren om zich niet als vreemdeling, maar als Spanjaard te gedragen. Voor zichzelf en voor anderen. Je kunt je pas echt ergens thuis voelen als je de taal spreekt. Zo maak je het mogelijk dat mensen je leren kennen, accepteren en waarderen.
Op mijn voorstel is heftig gereageerd. Ik zou mensen willen verbieden hun eigen taal te gebruiken, ik zou de buitenlanders het land uitjagen en onze internationale handelspositie schade toebrengen. Dat heeft allemaal niets te maken met wat ik voorstel.
Ik heb er bijvoorbeeld helemaal geen bezwaar tegen als twee Nederlandse vriendinnen in Spanje op straat met elkaar in hun eigen taal praten. Maar in sommige situaties, als er meer mensen bijstaan, is het voor anderen prettig om te kunnen begrijpen waar het over gaat.
Het is belangrijk dat mensen zich bewust zijn van het feit dat anderen ze niet kunnen verstaan en hier in de openbare ruimte rekening mee houden.
We vormen een samenleving, daar kunnen we niet omheen. Binnen die samenleving wordt steeds duidelijker een scheidslijn tussen bevolkingsgroepen zichtbaar. Daar wil ik, als Minister voor Integratie, iets aan doen. En ik roep iedereen op deze problemen serieus te nemen en mee te denken over oplossingen.
Als we een open samenleving willen, waarin iedereen zichzelf kan zijn, rekening houdend met de gemeenschap waar we allemaal deel van uitmaken, dan moeten er dingen veranderen. Het begint ermee, dat mensen zich bewust worden hoe ze kunnen bijdragen aan meer binding en minder afstand in de samenleving.
Ik denk dat gedragsregels daarbij kunnen helpen. Dan weten mensen welk gedrag als prettig, of minder prettig wordt ervaren. Maar dat werkt alleen als de regels ook worden ondersteund, en als mensen begrijpen waar ze voor dienen.’
De kop van dit artikel is een Spaans spreekwoord en luidt, vertaald in correct Nederlands: ‘Wie de schoen past, trekke hem aan‘, ofwel: ‘A quien le pique, que se rasque‘.











