Agustín Hernández weet niet hoe de Spaanse minister-president, José Luis Rodríguez Zapatero er uit ziet, hij heeft nooit een televisietoestel gehad. Hij weet, dat er in de hoofdstad een  plaats is die El Corte Inglés heet, “waar veel spullen zijn”; hij heeft nooit het Dr. Negrín-ziekenhuis gezien. En dit alles, terwijl hij slechts op tien minuten afstand woont van Las Palmas de Gran Canaria.

2008-02-03_img_2008-01-27_14_35_53_ags0001.jpg

Agustín Hernández, de laatste persoon die nog steeds in de Caldera (krater) van de Bandama woont, ontving onlangs bezoek van een journaliste van het locale dagblad ’La Provincia’, haar relaas leest u hier.

1201535412219_ban0033.jpg

Kunt u zich iemand voorstellen die in de 21ste eeuw, het tijdperk van de communicatie, geïsoleerd in een vulkaankrater woont met niet meer gezelschap, dan drie honden, een ezel, een kat en een transistorradio? Zo leeft Agustín Hernández. Zonder televisie en zonder het gezicht – “maar wél de stem” – van Zapatero te kennen,”; zonder iets te weten van een buitenwereld die hij niet kent en die hij ook niet wil kennen.

cal_bandama.jpg

d5bis-calderabandama.jpg

La Caldera de la Bandama.

Hij weet, dat er in de hoofdstad van zijn eiland, Las Palmas de Gran Canaria, een plaats is die El Corte Inglés wordt genoemd – ik weet het niet, maar men zegt mij, dat daar veel spullen zijn…”  en, dat er een ziekenhuis is met de naam Dr. Negrín – “men heeft mij verteld, dat het mooi is.” Deze man met zijn sterke persoonlijkheid heeft net zoveel afschuw van nieuwsgierigen als van journalisten: “een keer kwam er hier eentje naar beneden en die groette me niet eens. Hij vertelde me niets.” Hij liet Agustín, die dichterbij kwam voor wat hij was…. “veel later zei hij me, dat hij een foto van me zou willen maken voor in de krant.” Ik heb hem gezegd: “U bent slecht opgevoed, men moet de mensen groeten. Hij deed me niets. Ik heb niet met hem gesproken. Ik bleef in mijn huis en sloot de deur.” Dat is Agustín.

 “Maar goed, u heeft geluk gehad; u treft me op het juiste moment aan, want anders…”

Dit is de ontvangst die Agustín Hernández ons toebereidt, de man die in 1927 geboren is en die op 11-jarige leeftijd, samen met zijn ouders en zeven broers verhuisde vanuit Telde, waar hij voor het eerst het levenslicht aanschouwde, naar de Caldera de la Bandama (de Bandama-krater), om daar de gewassen te verzorgen die op de kraterbodem groeien, in ruil voor eten voor het gezin en een beetje meer. Het waren harde tijden voor het talrijke gezin, een tragedie.

banda.JPG

gc_santabrigida.png

VERRASSING
Maar laten we duidelijk zijn; wij verdienen op deze maandag niet zijn goedwillendheid, want hij staat bekend als een schuwe man met een moeilijk karakter. De dag waarop we naar Agustín willen afdalen heeft een prettige verrassing in petto. Olga Espino, de vrouw die jarenlang een souvenirwinkel beheerde op de Pico de Bandama, had ook besloten om in de krater af te dalen, om Agustín te bezoeken en zij nodigde ons uit, om haar te vergezellen. Maar hun vriendschappelijke relatie is niet vreemd over te komen, want die heeft zich in de loop der jaren ontwikkeld, toen Olga vanuit de winkel op de top van de Bandama en hij vanuit de diepte van de Caldera (krater) elke beweging kenden van wie dan ook.

 1201535371260_ban0032.jpg

Met de blonde Olga Espino op weg naar Agustín in de krater van de Bandama.

“Zo wist ik bijvoorbeeld wanneer zij de winkel sloot. Omdat ik van hier beneden uit, op de bodem van de krater, “de veranda afgesloten zag”, zo vertelt hij zonder haast in de deuropening van zijn verzakte woning. “En ik,” zo zegt zij, “als ik met toeristen sprak over de persoon die op de kraterbodem woonde en die zo goed de gewassen verzorgde, vertelde hen dan details over zijn levenswijze .Hij kwam dan op hen over, als een aantrekkelijk en mysterieuze persoon. Bovendien, als ik wist, dat iemand erover dacht om de krater af te dalen, gaf ik die persoon enkele magdalena’s (mini cakejes) voor mijn vriend Agustín mee. Ik deed er een kaartje bij, dat hij kon lezen of waarvan de bezorger hem de inhoud kon uitleggen. Dat gebeurde vele jaren. U moet zich realiseren, dat toen ik de eerste keer afdaalde om hem te zien, ik in verwachting was van mijn dochter…”

Er is veel tijd verstreken en Agustín herinnert zich dit. Want ze hebben elkaar nu al drie jaar niet meer gezien. En zo benutten wij de gezamenlijke wandeling en we spreken over een uniek personage. Want uniek is hij, die in staat is, precies 69 jaar in de krater van de Bandama te wonen en die daar de omgeving verzorgt, als ware het zijn eigendom. Gevoelsmatig bestaat daarover geen enkele twijfel.

Het huis waarin Agustín woont, verenigt niet de beste voorwaarden in zich. Midden in dit huis bevind zich een half vervallen kamer; een bed en een keuken waarin iemand ongeveer 20 tot 30 jaar geleden enkele rekken heeft bevestigd waarvan het merk al lang niet meer bestaat en waarop zorgvuldig borden en kommen bewaard worden. Hij biedt sinaasappels en bananen aan en vertelt, dat hij nog leeft dankzij een wonder, want enkele jaren geleden viel er een enorme kei door het dak en als die me geraakt had, dan zou ik nu dood zijn. Ik had geluk, onkruid vergaat niet,” zegt hij lachend.

DE 19de HOLE
Agustín grapt over de ezel die hem vergezeld, “dat deze gelukkig balkt als er iemand bij de veranda van zijn verblijf voorbijkomt.”

1201535245521_ban0022.jpg

Ze vertellen over een andere ezel, die hij jaren geleden had en, dat deze voorwerp van onenigheid was, omdat het leek alsof het dier verwaarloosd werd. Hij verdedigt zich. “Dat waren mensen die niet wilden luisteren naar wat er aan de hand was. Die ezel had een verwonding opgelopen aan zijn poot. En omdat het dier niet ophield aan de wond te likken, sloot deze niet en de zaak ging er slecht uitzien. Ik zou niet van het beestje houden? Wel, laat mij u zeggen, zodat u het in de krant kunt schrijven,  dat ik die ezel, omdat hij al oud was, niet wilde slachten en ik die daarom cadeau heb gedaan. Nu heb ik deze, en kijk eens hoe mooi die is.”

1201534947081_ban0003.jpg

Het leven van Agustín is als in een film. Enkele jaren geleden heeft hij besloten om elke nacht te gaan slapen in het huis van zijn zuster, die aan de weg woont, “want men zegt, dat me wel eens iets zou kunnen overkomen. Maar om zes uur ’s morgens, als het nog donker is, ga ik opnieuw naar beneden.”

Op de bodem van de krater liggen honderden, ongecontroleerde ballen die ontsnapt zijn van de golfbaan. “Ze zeggen, dat de laatste hole van dit spel nummer 18 is, nietwaar? Nou, de krater is nummer 19, want hier vallen ieder moment de ballen uit de lucht.”

Een van de zaken waarvoor we onze vriend Agustín dankbaar moeten zijn, is de zorg die hij besteedt aan de planten in de krater. Maar ook voor zijn bewaking, zodat de bezoekers, de meeste zijn bergwandelaars, er geen etensresten achterlaten of de schaarse beplanting beschadigen.

Het huis waarin hij al 70 jaar woont is eigendom van het Eilandbestuur van Gran Canaria, zijn familieleden weten , dat als hij het huis verlaat, ze helemaal geen rechten kunnen doen gelden en niets kunnen claimen.

Als we richting kraterrand klimmen aan de zijde die naar de uitgang leidt, vraag ik hem, wat er gebeurt als hij ziek wordt of als hem iets overkomt en hij geen middelen heeft om hulp in te roepen? “Niets; dan sterf ik. Aan de dood ontsnapt niemand. Hebt u wel eens mensen zien sterven in de handen van de dokter? Nou dan,” zo bagatelliseert hij zijn eenzaamheid.