Het goedkoper maken van de verlaadprijs is mogelijk, omdat een deel van de dienstverlening geliberaliseerd blijft.
De Nederlandse diepzee-visserijvloot zou terug kunnen komen, om te opereren in Puerto de La Luz, de haven van Las Palmas de Gran Canaria en in de havens van Las Palmas. Dit, na het akkoord, dat bereikt is tussen de stuwadoorsbedrijven en de havenbesturen, waardoor het mogelijk is, de prijs per te lossen, of te laden ton vis, met een euro te verlagen.
Dit heeft de Havenauthoriteit van Las Palmas laten weten op vrijdag 26 oktober 2007 in een communiqué. Daarin bevestigt men, dat men dit akkoord zal vertalen in een convenant die men binnenkort zal ondertekenen. Dit is mogelijk gemaakt op initiatief van de voorzitter van het Havenbestuur, Javier Sánchez-Simón Muñoz.
Deze prijsverlaging betekent, volgens Bernardino Santana, de vertegenwoordiger van de stuwadoorsbedrijven, dat men opnieuw operaties kan gaan uitvoeren voor de Nederlandse pelagische (diepzee-visserij) vloot. Volgens Santana is het een feit, dat er een overeenkomst is, dat er permanent twee schepen zijn.
De verlaging van de verlaadprijs realiseert men, omdat een deel van de dienstverlening geliberaliseerd blijft. Zodoende blijven de specialistische werkzaamheden die de havenstuwadoors uitvoeren en de handelswaar in handen van personeel, dat geen onderdeel uitmaakt van Sestiba; zo laat men in het communiqué weten.
Trawler.
Pelagische visserij, uitgebreid nader verklaard:
De Nederlandse zeevisserij kan worden omschreven als de visserij op commerciële vissoorten voor menselijke consumptie, die buiten de kustwateren plaatsvindt. Binnen de zeevisserij kunnen in Nederland twee sectoren worden onderscheiden: visserij met kotters en visserij met trawlers.
De kottervloot is de grootste vloot in de Nederlandse visserij. Deze vloot bestaat uit ruim 400 vissersvaartuigen. Er zijn circa 180 kotters die de zeevisserij uitoefenen. De zeekotters mogen de gehele Noordzee bevissen met uitzondering van de kustwateren binnen de 12-mijlszone en het scholbox gebied.
De Nederlandse kottervloot heeft zich gespecialiseerd in de vangst van platvis, zoals tong en schol. Daarnaast spitst een klein deel van de kotters zich toe op andere soorten zoals poon, mul en wijting. De belangrijkste vangstmethode is de boomkorvisserij. De laatste jaren is een toename merkbaar van alternatieve vangstmethoden.
De economische situatie van deze Noordzeevisserij verslechtert snel.
Afnemende vangstrechten en vangstmogelijkheden waren al langere tijd de oorzaak van afnemende rendementen, de explosief gestegen olieprijzen bracht het overgrote deel van de Noordzeekottervloot in grote problemen. Bovendien staat de boomkorvisserij de laatste jaren in een negatiever daglicht omdat deze vangstmethode in toenemende mate als onvoldoende milieuvriendelijk wordt beschouwd.
De Nederlandse trawlersector, ook wel de grote of pelagische zeevisserij genoemd, bestaat uit een viertal rederijen, die met diepvriestrawlers vissen op voornamelijk haring, makreel, horsmakreel, blauwe wijting en sardinella. De visserijactiviteiten van de reders vinden plaats in de noordoostelijke Atlantische Oceaan en bij West-Afrika. Na de vangst wordt de vis achtereenvolgens gekoeld, gesorteerd op vissoort en grootte, ingevroren, verpakt en opgeslagen in de vriesruimen aan boord. De vis komt niet via een afslag aan land en wordt als consumptieproduct geëxporteerd naar het buitenland.
De pelagische visserij wordt beoefend met vries- cq hektrawlers die gemiddeld tussen de 80 en 140 meter lang zijn. Op de Noordzee wordt niet veel met hektrawlers gevist. Toch is Nederland in het bezit van een forse pelagische trawlervloot. Deze trawlers worden beheerd door vier grote reders, t.w.: Cornelis Vrolijk/Jaczon (IJmuiden/Scheveningen), W. van der Zwan (Scheveningen) en Parlevliet en van der Plas (Katwijk).
Trawler.
De pelagische vloot vist op de Noordzee op haring en horsmakreel, in de westelijke wateren (ten zuiden en westen van de Britse eilanden) op blauwe wijting, horsmakreel en zilversmelt, en in de Atlantische Oceaan ten Noorden van de Shetlands op makreel en ten westen van Noorwegen op Atlanto-haring. Voorts vissen in de wateren van Mauritanië (West-Afrika) Nederlandse trawlers op sardinella’s, sardines en horsmakreel. Deze visserij vindt plaats op basis van het visserij-akkoord tussen de Europese Unie en Mauritanië.
Historisch overzicht
‘De haringvisserij is van oudsher de traditionele Nederlandse visserij op de Noordzee. Nederland is al honderden jaren koploper op het gebied van de haringvisserij. Zowel de kotter- als de trawlervisserij is voortgekomen uit die traditionele haringvisserij.
De kottervisserij is in feite een specialisatie op de platvis. Deze zogenoemde demersale visserij, de bodemvisserij, vereist flink wat techniek. Er is veel kracht nodig om de tong die in de bodem ingegraven zit aan boord te krijgen. Die techniek is eigenlijk met de introductie van de boomkor begin jaren 60 pas echt goed ontwikkeld. Toen nam deze vorm van vissen een grote vlucht. Op het hoogtepunt had je ‘honderden’ gespecialiseerde rederijen. Dit waren vaak familiebedrijven die met 1 of 2 boomkorkotters de kost goed konden verdienen: de investeringen waren te overzien en de vers aangelande vis bracht goed op.
Rond die tijd groeide ook de trawlersector flink. Bij deze zogenoemde pelagische visserij worden in de waterkolom scholen vormende vissen gevangen.
De pelagische visserij vereist een hele andere techniek. Met sonar apparatuur worden de scholen vis getraceerd en vervolgens zijn er verschillende technieken om die vis daadwerkelijk te vangen.
Tot in de 70-er jaren van de vorige eeuw kende ook de pelagische sector een flink aantal rederijen. Een fors deel hiervan richtte zich voornamelijk op de haringvangst in de Noordzee. De koelschepen brachten de vangst gezouten aan land.
Vangstverbod
De combinatie van een tegenvallend haringbestand en een te forse bevissing (te veel schepen), zorgde eind jaren 70 voor een haringvangstverbod in de Noordzee. Het gevolg was dat een aanzienlijk aantal trawlerrederijen in zeer korte tijd ophielden te bestaan. Doordat een groot deel van hun quotum overgedragen werd aan de blijvers, is een concentratie van rederijen ontstaan.
Een tweede gevolg van het haringvangstverbod was dat rederijen die wél wilden doorgaan om moesten schakelen op andere vissoorten of buiten de Noordzee moesten gaan vissen. De techniek van vissen met koelschepen om vervolgens de vis zo snel mogelijk aan te landen, was in verband met de grotere afstanden niet meer toepasbaar. In vrij korte tijd zijn koeltrawlers omgebouwd tot vriestrawlers en is een aantal nieuwe vriestrawlers gebouwd. Een vangstverbod zoals eind jaren ’70 heeft zich gelukkig sindsdien niet meer voorgedaan. Het beheer van de pelagische bestanden heeft zich goed ontwikkeld.
Ook de kottersector kreeg te maken met teruglopende bestanden. Dit heeft zich vooral sedert het jaar 2000 gemanifesteerd en heeft ook veel te maken met een terugvallend kabeljauwbestand in de Noordzee. Dit leverde weliswaar geen compleet vangstverbod op maar zorgde wel voor een stelselmatig afnemen van de belangrijke quota. Ook in deze sector is deze situatie samen met de sterk gestegen olieprijs keihard aangekomen. De kottersector is de laatste jaren voortdurend geconfronteerd met steeds minder zeedagen en steeds minder quota. Dat is een economische stervensproces waarbij een onderneming niet in één keer een hartaanval krijgt maar zachtjes aan door allerlei kleine dingetjes verder begrensd wordt.
Nu echter in de afgelopen visserijraad in december 2006 besloten is de platvisvisserij op de Noordzee verder aanzienlijk te beperken, heeft de kottersector de nieuwe regering verzocht om saneringsgeld vrij te maken voor een nieuwe, grote reductie van de Nederlandse kottervloot.
Gemeenschappelijk visserijbeleid
In 1983 werd binnen de EU een gemeenschappelijk visserijbeleid in het leven geroepen. Dat was nodig omdat de economische zones midden jaren ’70 werden vergroot tot 200 mijl, zodat je in de EU meteen al in elkaars (vis)water zat. Die situatie was op termijn uiteraard onhoudbaar. Een gemeenschappelijk beleid moest de resources die er waren collectief gaan beheren.
Bij de onderhandelingen over de verdeelsleutel (’77-’82) heeft men een referentieperiode genomen van ’70 tot ’75. De aanlandingen (bewezen vangsten) die een land toen had, vormden de basis voor de verdere onderhandelingen over de verdeling van de nationale quota.
Alhoewel de verdeling van de quota onder de lidstaten vastligt, wordt de omvang van deze quota in EU-verband ieder jaar opnieuw vastgesteld door de gezamenlijke ministers van Visserij op basis van wetenschappelijke informatie over visbestanden.
Alle belangrijke vissoorten zijn inmiddels gequoteerd. Slechts enkele kleinere bestanden vallen nog niet onder dit systeem.
Nadat de quota per land in EU-verband vastgesteld zijn, worden zij in de afzonderlijke landen nog onderling verdeeld. Dat ligt per land verschillend. In Nederland hed men voorafgaande aan het Europese visserijbeleid al een nationaal visserijbeleid gebaseerd op individuele vangstrechten. Nederlandse vissers hadden dus al eigen (bedrijfs)quota, lang voordat de EU met het systeem kwam, met name voor haring. Binnen Nederland verdeeld het ministerie van LNV het door de EU toegewezen landelijke quotum op basis van de historische rechten van de individuele Nederlandse bedrijven.
Vlootflexibiliteit
Binnen de visserijsector is flexibiliteit een vereiste. Een visbestand is migrerend, het is niet altijd op dezelfde plek en ook de omvang van een bestand varieert enorm. Voeg daarbij het feit dat er elk jaar opnieuw over de quota onderhandeld wordt en het zal duidelijk zijn dat het opstellen/realiseren van een langjarig bedrijfsplan erg moeilijk is. Anderen bepalen immers wat en hoeveel er gevangen mag worden en dat kan soms grote verschillen opleveren. Het totale quotum voor Noordzeeschol bijvoorbeeld zit momenteel op 50.000 ton; in 1999 was dat bijna 100.000 ton.
Bij het bouwen van een schip wordt rekening gehouden met een economische levensduur van tientallen jaren. Als je een schip bouwt op een individueel quotum van 100, dan ga je in je businessplan ook uit van die 100. Als het quotum vervolgens binnen 6 jaar op 50 zit dan is dat schip gewoon 2x te groot. Een rederij met meerdere schepen heeft het dan wat gemakkelijker, die heeft meer flexibiliteit. Met slechts één schip is de afhankelijkheid van het toegewezen quotum veel groter.
De sluiting van de Noordzee voor haring was voor de trawlervissers de voornaamste reden dat ze verder zijn gaan kijken dan de traditionele visgebieden en daardoor aangepaste schepen nodig hadden. Het visgebied én het aantal soorten waarop gevist werd, is aanzienlijk groter geworden. Met andere woorden: je probeert rechten in andere gebieden te verwerven en gaat vissen op soorten die nog niet gequoteerd zijn. Daarmee bouw je dus weer rechten op voor het moment dat ook die soorten weer gequoteerd worden.
Een andere manier om het quotum te vergroten is op zoek te gaan naar onbenut quotum in het buitenland. Al in 2003 werden enkele onder Nederlandse vlag varende vriestrawlers verkocht aan dochterrederijen in het buitenland en in 2004 zijn daar nog diverse trawlers bijgekomen. Op 1 januari 2005 telde de Nederlandse trawlervloot nog zeventien vriestrawlers, ruim een jaar later zijn dat er nog veertien. De belangen van de Nederlandse rederijen krijgen daarmee meer en meer een internationaal karakter. Grofweg zijn er in de loop der jaren ruim twaalf grote vriestrawlers onder buitenlandse vlag gebracht.
Ook in de kottersector is dit gebeurd. Vele tientallen Britse, Duitse, Deense en Belgische kotters zijn met hun vangstrechten in de afgelopen 20 jaar in bezit gekomen van Nederlandse vissers.
Andere visgebieden
Na de eerste sluiting van de Noordzee hebben de Nederlandse rederijen hun visgebied uitgebreid en zijn ten westen van Ierland en ten westen van Noorwegen gaan vissen. Later zijn ze steeds verder naar het zuiden gezakt op zoek naar nieuwe viswateren. Naar aanleiding van een dip in het Noordzee-haringbestand in 1995 (er gingen stemmen op om de haringvisserij te halveren of zelfs te stoppen), zijn de pelagische reders gaan vissen in de visrijke wateren van Mauritanië. Dit gebied kent grote visbestanden doordat daar zeer voedselrijk water voorkomt.
De Sovjetvloot die van oudsher vislicenties bij Mauritanië had, was na de val van de muur eind jaren 80 zwaar afgetakeld. Mauritanië zag de zo belangrijke inkomsten van de Russische pelagische vloot fors omlaag gaan. Buiten de Sovjetvloot was er geen noemenswaardige activiteit op pelagisch gebied en de plaatselijke bevolking beschikte en beschikt nog steeds niet over de benodigde technieken en schepen voor deze vorm van visserij. Bovendien zijn de Mauritaniërs geen visetend volk.
De Nederlandse reders verwierven van de Mauritaanse overheid vislicenties voor de kust van Mauritanië. Al in 1997 is de pelagische visserij onderdeel geworden van het veel bredere visserijakkoord tussen de EU en Mauritanië. Sindsdien vissen de Nederlanders daar onder dit EU-akkoord. Er wordt dus enerzijds vanuit het Europese budget geld voor de visrechten betaald en de reders betalen los daarvan ook een fee voor hun vislicentie.
Een ander potentieel interessant visgebied voor de pelagische visserij bevindt zich voor de kust van Chili en Peru in de internationale wateren (buiten de 200 mijlszone). Landen die daar het meest vissen zijn Chili, Peru, China, Japan, Korea, Australië en enige Europese landen.
Op dit moment mag in dat gebied nog onbeperkt gevist worden, er is geen quotum voor die internationale wateren. Om te voorkomen dat er een wilde visserij ontstaat - dus om leegvissen te voorkomen - zijn de landen die interesse hebben in dat visgebied bezig met het voorbereiden van een regionaal visserijakkoord. Het doel van zo’n akkoord is te komen tot een beheerde visserij met mensen die zich houden aan quota en licenties, waar er controle is en waar ook onderzoek gepleegd wordt. De EU met de Nederlandse reders als belangrijkste vertegenwoordigers van de pelagische visserij, praten daarin mee.
De keten
De vier Nederlandse rederijen hebben in zeer hoge mate hun werkzaamheden geïntegreerd. Ze vangen de vis en verhandelen die ook zelf. Aan boord van hun diepvriestrawlers wordt de vis gesorteerd, ingevroren en verpakt. Aan de wal gaat hij de cold stores in. De trawlerrederijen beschikken op diverse plaatsen over eigen coldstores. Ook de export is grotendeels in eigen handen, in sommige gevallen tot aan de eindgebruiker toe. In delen van West-Afrika bijvoorbeeld wordt de vis vanuit de eigen locale coldstores via een Afrikaans netwerk direct aan de consument verkocht. Diverse eigen verwerkende bedrijven, onder meer in Duitsland en China, zorgen ervoor dat de vis conform de wens van de afnemer op de locale markt komt.
De toekomst
De toekomst van de Nederlandse pelagische visserij wordt met vertrouwen tegemoet gezien. De Nederlandse reders zijn binnen de EU geen kleine speler, zeker in het segment van de diepvriessector gericht op de menselijke consumptie. Zij hebben hun belangen flink verspreid en zijn mede daardoor minder kwetsbaar dan hun collega’s in de kottersector.
Daarnaast gaat het met de pelagische bestanden over het algemeen goed. Ook de trawlersector krijgt natuurlijk te maken met torenhoge olieprijzen en met quotumkortingen, omdat uiteindelijk toch de natuur bepaalt hoe omvangrijk de bestanden zijn (zo is het Noordzeeharing quotum voor 2007 met 25% gekort), maar de effecten daarvan zijn in de sector tot nu toe nog redelijk te overzien.
Voor de pelagische visserij zijn soorten als haring en makreel heel belangrijk. Het zijn dure vissen dus is het verstandig om de mogelijkheden die je op dat gebied hebt volledig te benutten en dan pas over te stappen op minder rendabele soorten en/of andere visgebieden. Uiteraard wordt er ook wel eens geld verloren op het vissen zelf maar dat kan dan weer goedgemaakt worden in de rest van de keten.
Je eigen toekomst verzekeren in de zeevisserij betekent ook de vinger aan de pols houden en verantwoordelijkheden nemen. Er moet in de toekomst immers ook nog gevist kunnen worden. De reders zijn in eerste instantie ondernemers en in hun streven naar een duurzame onderneming delen zij de verantwoordelijkheid met betrekking tot een gezonde bestandsontwikkeling. Met andere woorden: je kunt niet ergens gaan vissen en over 5 jaar zeggen ‘ziezo ik heb mijn spulletje binnen, nu gauw weer verder’. Dat is de filosofie van de reders zeker niet. Economische, ecologische en sociale aspecten worden samen bekeken en gewogen. Immers, als alle partijen zich aan de quota houden en hun zaken regelen binnen de bandbreedtes van goed beheer, dan kan de natuur gewoon haar werk blijven doen en dan kunnen vissers blijven vissen.
Met dank aan:
Gerard van Balsfoort, voorzitter van de PFA (Pelagic Freezer-Trawler Association) en Gerrit Zwart, manager bij Cornelis Vrolijk’s Visserij Maatschappij BV.
Discussieer mee op het forum over dit artikel














