‘Wie weet wat het wordt als ik echt mezelf ben’, zei iemand laatst tegen me. Ja, wie weet. Wie weet eigenlijk precies wie of wat hij is? Ik ken er niet veel. Probeer jezelf te blijven’, roepen ze dan. Maar daarvoor moet je wel weten hoe dat is. We worstelen wat af in het leven, bedacht ik zo op een doordeweekse nacht.
![]() |
Ik kan wel duizend momenten noemen waarop ik de strijd aanga met mezelf én de Ria die de rest van de wereld denkt dat ik ben. Als ik JA zeg, terwijl ik NEE bedoel bijvoorbeeld. Dat doe ik dan omdat het zo sneu is voor die ander, of te moeilijk voor mezelf. Omdat ik denk dat ik het toch moet doen, omdat het zo hoort. Of omdat ze dat nou eenmaal van mij verwachten. Soms weet ik niet eens meer wie het nou is die iets van mij verwacht. Meestal ben ik het zelf. En ik maar wijzen naar die ander.
Snap je nog waar ik het over heb? Ach, je doet het zelf vast ook veel te vaak. Ingaan tegen die stem die diep van binnenuit tegen je schreeuwt. Meestal is het niet meer dan een zachte fluistering omdat je zelf zo ongehoord veel herrie maakt. Hoe vaak weet je, op het moment dat je iets doet, eigenlijk al dat je dat beter had kunnen laten? Dat je dan achteraf denkt: zie je nou wel, ik wist het! (weer niet geluisterd) En je dan baalt als een stekker en ongelofelijk boos bent op jezelf.
En ken je deze: ‘niemand ziet wie ik ben’. Dat riep ik vroeger ook wel eens. Totdat ik me realiseerde dat ik ook niet liet zien wie ik was. Ik brak mijn nek nog liever dan dat ik toegaf kwetsbaar te zijn. Stikte nog liever in mijn verdriet dan dat ik ‘hellup’ riep. Was een stoere meid die eigenlijk nooit iemand nodig had. Dacht ik. Totdat ik niet meer kon. En wel moest. Ineens voelde ik dat het heerlijk was om mijn hoofd op iemands schouders neer te leggen. Nooit van mezelf gedacht eigenlijk. Of misschien toch wel, maar was ik te bang om mezelf te zijn.
Het menselijk brein is een vreemd mechanisme. Op sommige momenten in het leven - meestal als het te eng, te moeilijk of te pijnlijk is - vluchten we van onszelf weg. Besluit je je een houding aan te nemen die het je op dat moment makkelijker maakt. Het rare is alleen, dat je dat twintig jaar later nog doet. Ook al is dat helemaal niet meer nodig. Misschien ben je zelfs wel vergeten hoe je was vóórdat je vluchtte. Ik heb inmiddels geleerd om niet meteen te antwoorden als iemand mij iets ‘moeilijks’ vraagt. ‘Daar kom ik op terug,’zeg ik dan en word stil. En hoe vaker ik dat doe, hoe harder dat stemmetje wordt. Ik en mezelf worden vast nog goeie maatjes.










