We nemen je mee terug in de tijd, naar 1483. De oorspronkelijke bewoners van Gran Canaria verdedigen al jarenlang hun eiland, Gran Canaria.
Wat zij overigens niet zo noemen… De ‘lage’ gedeeltes van Gran Canaria zijn al in handen van de Spanjaarden, en Gáldar, één van de laatste stevige bolwerken tegen de Spanjaarden is ook in handen van de veroveraars gevallen. De enige plek waar nog gevochten wordt is een rots, ‘het fort van Ansite’.

Op deze grote rots, vlakbij het huidige Santa Lucía, wonen de Aborigenes in uitgehakte grotwoningen, begraven ze hun doden in speciale grotten en bewaken ze hun voedsel in zogenaamde graanschuren. Alle vertrekken zijn verbonden, en door de rots heen is ooit een tunnel gehakt. Dit stevige fort is niet makkelijk te veroveren. Maar jarenlang ten strijde trekken heeft de rotsbewoners flink uitgeput en de voedselvoorraden zijn ook al tijden op. Voor de Spanjaarden is deze vestiging het laatste loodje voordat ze Gran Canaria officieel veroverd kunnen verklaren.
Daarbij komt, dat de troepen net ververst en versterkt zijn, met verse manschappen uit La Gomera en uit het vasteland. Bentejuí, de gevechtsleider op de rots, komt oorspronkelijk uit Gáldar. Maar al in 1482 vertrok hij samen met de prinses Guayarmina Semidán (uit Gáldar) naar deze rots om vanuit hier het verzet tegen de veroveraars te leiden. Hij is net dertig geworden.
Tenesor Semidán, een inmiddels in Spanje gedoopte Canarische leider die probeerde te onderhandelen namens de veroveraars, en broer van de op Ansite vechtende prinses, komt op 29 april 1483 naar de rots om Bentejuí en prinses Semidán ervan te overtuigen dat doorgaan met het verzet geen zin meer heeft en dat er alleen maar meer bloed zal vloeien. Het lukt hem ze te overtuigen. De prinses daalt met haar broer af van de rots en geeft zichzelf en de nog resterende bevolking over aan de veroveraars en het Christendom.
Bentejuí, en de ‘Faycán de Telde’ (Canarische ‘priester’ uit Telde, die diens koning bijstond en adviseerde) besluiten dat ze hun leven willen eindigen zoals ze het zijn begonnen: in vrijheid. Al schreeuwende “Atis Tirma” springen ze van de hoge rots af hun niet-lang-op-zich-laten-wachtende einde tegemoet in de barranco (stijle kloof) “Atis Tirma”. De kloof is genoemd naar deze laatste woorden, schijnbaar is het tijdens deze onrustige tijden een komen en gaan van springers op deze plek. “Atis Tirma” betekent trouwens “Lang leve de heilige berg” in de taal van de oorspronkelijke bewoners.
Terug naar 2008
Tot zo’n vijf jaar geleden werd deze gebeurtenis jaarlijk op 29 april ‘gevierd’, met een mis in de religieuze bijeenkomstengrot van de rots zelf. Bij het stenen altaar werd een mis opgedragen aan hen die vielen tijdens de gevechten rond de rots, aan alle gevallenen tijdens de veroveringen van Gran Canaria en de Canarische eilanden en in het bijzonder aan de Faycán de Telde en Bentejuí. Dat is niet meer zo, maar als je op 29 april de plek bezoekt, zul je vast niet de enige zijn.
Het fort van Ansite “La Fortaleza de Ansite” bestaat nog en is nog te bezoeken en is dat zeker ook waard. Inmiddels is het bergspringen minder populair, niet zo geheel onlogisch want het is natuurlijk nooit een sport ‘met toekomst’ geweest, maar ook de natuur hier is prachtig.
Maar mooie natuur vult de maag niet, en het nabijgelegen Santa Lucía de Tirajana is een aanrader. Niet dat hier nou heel veel te doen is, maar het prachtige langgerekte witte bergdorpje met zijn kerkje dat uit de verte vanwege zijn koepel aan een moskee doet denken is een mooie stopplaats voor tochten door de bergen.
En dan hebben we nog het archeologisch museum “La Fortaleza”. Dit bijzondere gebouw (kasteel in wording) stelt een indrukwekkende privéverzameling tentoon. De collectie heeft vele voorwerpen uit de Canarische geschiedenis, van Romeinse kruiken tot mummies, stenen afgodsbeelden die het Museo Canario maar dolgraag in hun collectie zou hebben, tot schilderijen en (nep)wapens, gemaakt van blikjes. Ook vind je er, vlakbij de ingang, een typisch Canarische slaapkamer uit de 17e eeuw.
Entree is maar 2 euro, dus daar hoef je het niet voor te laten. En heel praktisch: aan de achterkant van het museum zit een leuk, rustiek restaurant ‘Hao’. De prijzen zijn vrij laag en hier kun je echt typisch Canarisch eten. Ook kun je hier de plaatselijke likeur ‘mejunje’ proberen, een mix van honing, rum en citroen. (Ook best te drinken zonder de griep te hebben.) Drink niet teveel, je moet nog terug over de bergweggetjes.

Je komt in Santa Lucía via Vecindario, Fataga of eventueel via Mogán. En een bezoekje past goed in een ‘rondje binnenlanden’. Het is veruit het aangenaamst om zelf met een huurautootje op pad te gaan want met de bus ben je nogal eens lang bezig en word je misschien meer heen en weer geslingerd dan je lief is.
Meer foto’s op onze fotogalerij van het museum.









